In gesprek met Jaap Nieuwenhuis. Over zijn interieuraquarellen, zijn illustraties, het leven

Moeiteloos vertaalt Jaap Nieuwenhuis een verhaal, een opera, in rake illustraties. Menigeen van ons is opgegroeid met zijn tekeningen. Maar zijn hart ligt bij zijn interieuraquarellen. In gesprek met Jaap Nieuwenhuis.

Jaap Nieuwenhuis, Het bed in de zijkamer met daarop door Paula geborduurde kussens
2005, 35 x 50 cm

Moeiteloos vertaalt Jaap Nieuwenhuis een verhaal, een opera, in rake illustraties. Menigeen van ons is opgegroeid met zijn tekeningen die verschenen in onder meer de AVRO-bode, de kindertijdschriften Taptoe en Okki, en in de Elegance. Maar zijn hart ligt bij zijn interieuraquarellen. In gesprek met Jaap Nieuwenhuis.

Interieuraquarellen

‘Ik ben altijd geïnspireerd geweest door mijn eigen huis, door mijn eigen dingen. Ik heb altijd veel verzameld. Porselein. Stoelen. Ik ben gek op stoelen. Ik moet een soort verliefdheid hebben met een voorwerp om het te kunnen schilderen. Het gaat me om de sier ervan, om wat het uitstraalt. Dingen leven voor mij, ze hebben een verhaal. Dat geldt alleen voor mij natuurlijk; niet voor een ander, dat begrijp ik ook wel.’ Jaap Nieuwenhuis lacht. ‘Eigenlijk ben ik een beetje gek. Als je al iets hebt – een porseleinen vaas, een vitrinekastje – , waarom zou je het dan willen schilderen, kun je je afvragen? Maar goed, ik geniet daar nu eenmaal van.’

Jaap Nieuwenhuis. Foto: Jessica Hooghiemstra

Jaap Nieuwenhuis heeft een voornaam voorkomen, lang, slank, elegant. Zijn tweeënnegentig levensjaren zijn hem niet aan te zien. We zitten in de woonkamer van zijn huis in de binnenstad van Deventer. Hij in zijn fauteuil, ik op de bank ernaast. Achter hem zie ik, door de hoge ramen, het silhouet van de Bergkerk statig oprijzen tegen de felblauwe hemel. Langs de muur staat een antieke piano, op de standaard ligt opengeslagen bladmuziek, alsof iemand zojuist nog gespeeld heeft. Erboven hangt een werk, een poes op een gele stoel tegen een oranjeroze achtergrond (‘Dirk op stoel’), geschilderd door zijn eerste vrouw, Paula Thies, overleden in 2000. Een andere wand wordt compleet in beslag genomen door boeken. Het gesprek verloopt gemakkelijk. De thee die Betsy van der Meer, zijn tweede vrouw, eveneens kunstenaar, heeft ingeschonken, wordt ondertussen koud.

Jaap Nieuwenhuis, Hollands empirecilinderbureau, waarboven ‘Gezicht op Salzburg’ van Paula, aquarel, 2004, 50 x 35 cm

Als ik de wens uitspreek om zijn nieuwste werk te zien, is het antwoord een voluit ‘Nee’, gevolgd door een korte stilte. Even denk ik dat ik te brutaal ben geweest. Dan beginnen zijn ogen te twinkelen. ‘Nee, nee, het is geen onwil. Ik kan het u niet tonen om de eenvoudige reden dat al mijn werk net is weggebracht om ingelijst te worden. Maar ik zal u straks rondleiden in de hal. Daar hangen vrij recente werken. Heeft u dit boek al gezien?’

Jaap Nieuwenhuis overhandigt me ‘Portret van een huis’. Het boek bevat een uitgebreide verzameling interieuraquarellen die hij maakte van het statige negentiende-eeuwse landhuis ‘Grapendaal’ in Welsum, Overijssel, waar hij jarenlang woonde. Samen met Paula Thies richtte hij de sfeervolle vertrekken in met meubels en voorwerpen die ze in de loop der tijd verzameld hadden. De aquarellen laten beeldige doorkijkjes zien, een sierlijke vitrinekast met porselein, een biedermeierbank met daarboven schilderijen van Paula, het atelier, de buxustuin. De composities zijn fabuleus, de sfeer en lichtinval zijn intiem, van andere tijden. Enige van deze meubelstukken – de vitrinekast, de achttiende-eeuwse tuinbank – heb ik zojuist, tijdens het binnenkomen, in de hal zien staan.

Jaap Nieuwenhuis, De gang boven met uitzicht op de IJssel, aquarel, 2005, 32 x 43cm

‘Ik schilder dus eigenlijk alleen mijn eigen omgeving. Eens vroeg een vriendin of ik, voordat ze ging verhuizen, haar interieur wilde schilderen, als herinnering. Dat heb ik gedaan, maar het was plichtmatig. Ik heb voldoende kunde en techniek om er iets van te maken, maar het had niet helemaal mijn hart. Ze had een grote witte vleugel met een vaas erop waar as van haar man in zat…’ Weer die charmante lach.

Afscheid van Welsum

Het was voor Jaap Nieuwenhuis niet gemakkelijk om na al die jaren, in 2018, het landgoed met uitgestrekte tuin in Welsum te verruilen voor het herenhuis in een Deventers steegje. ‘Ik ben maandenlang heel ziek geweest van heimwee. Ik kon niet meer werken, zat in een diep zwart gat. Betsy was gevallen toen we hier nog maar twee dagen woonden. Zij is vier maanden weggeweest om te revalideren. Ik was diepongelukkig. Ik vond het allemaal zo vreselijk hier. Toen besefte ik: “Ik moet weer iets gaan doen, anders kom ik er niet meer uit.” Omdat ik geen onderwerp wist te verzinnen, begon ik een afbeelding van een oud Ikat tapijt uit een boek te kopiëren. Halverwege dacht ik “Ik ben toch niet gek, ik ga toch geen plaatjes natekenen!” Vanaf dat moment ben ik weer gaan werken. Een vriend gaf mij een Japanse lap, niet van mij maar ik vond hem wel heel mooi. Al werkend viel alles van me af en vond ik het eigenlijk wel fijn hier. Warm en comfortabel. Ik dacht “Wat zeur ik eigenlijk?”‘

Ik kijk nog eens rond in de sfeervolle woonkamer en kan me voorstellen dat het hier goed wonen is. Mijn blik valt op een aquarel in wording. Het staat tegen een poot van de lange eetkamertafel, in het volle licht dat door de hoge ramen binnendringt. Op de tafel zelf zie ik een kistje met daarom heen notitieboekjes of zakagenda’s met een omslag van etnische stofjes. Het zijn deze voorwerpen die ditmaal de aandacht van de schilder getrokken hebben. Op een bijzettafeltje liggen tubetjes verf naast een bordje met troebele vloeistof en besmeurde randen. ‘Kijk maar hoor! Je ziet het, ik heb aan een schaaltje modderwater genoeg! Ik begin altijd direct met schilderen. Ik ga dus niet eerst tekenen. Gewoonlijk is een schilderij binnen een paar dagen wel af.’

Interieuraquarel in wording, 2019. Foto: Charlotte Mesman

Ik bewonder de aquarel waarop het kistje en de boekjes al te zien zijn. Alleen de achtergrond behoeft nog verdere uitwerking. Net zoals bij de interieuraquarellen van Grapendaal draait het ook in dit stilleven om compositie en kleurgevoel. Oorspronkelijk was het Nieuwenhuis’ bedoeling om interieurschilderijen in olieverf te maken, maar omdat olieverf lelijk kan vlekken, maakte hij eerst, naar waarneming, aquarellen van de hoekjes en doorkijkjes in Grapendaal. Daarna zou hij deze in zijn atelier uitwerken in olieverf. De aquarellen bleken echter zo goed uit te pakken, dat de schilder besloot het bij deze techniek te houden.

‘U zou zomaar ook binnenhuisarchitect kunnen zijn!’ ontvalt me, gecharmeerd als ik ben van de schitterende composities. ‘Nee, hoor!’ weerlegt de kunstenaar. ‘Het hele interieurontwerp is mijns inziens onzin. Ik vind dat je dat zelf moet doen. Ik begrijp het niet als iemand zegt dat-ie niet kan inrichten. Iedereen kan dat. Misschien zijn er mensen die het niet durven… Maar een interieur ontstaat vanzelf in de loop van de tijd. Paula en ik woonden vroeger in Amsterdam op het Oudekerksplein, in een huis uit 1590, met allemaal trapjes. We hadden geen geld en dus begonnen we met sinaasappelkistjes. Op het Waterlooplein kochten we zo nu en dan meubels of snuisterijen met een leuke, prettige uitstraling. Zo kregen we langzamerhand een interieur. Maar we begonnen met niks. Maar wat een vreugde dat het gaf als je iets moois op de kop tikte!’
‘Jaap heeft wel zeker een ontwikkelde smaak en gevoel voor interieurontwerpen,’ mengt zich nu ook Betsy van der Meer, bescheiden en met heldere stem, in het gesprek. ‘Dat komt vast ook door het milieu waar hij uitkomt. Zijn vader verzamelde schilderijen.’

De vitrinekast die op meerdere aquarellen van Jaap Nieuwenhuis te zien is. Daarboven ‘Tafelpiano, eerste helft 19de eeuw, met empirestoeltje’, 2004, 35 x 50 cm

Kindertijd. Een nul voor handelsrekenen

Vanaf zijn derde, vierde jaar tekende en schilderde Jaap Nieuwenhuis, meer dan elk ander kind. Het was het enige dat hij wilde. School vond de kleine Jaap iets verschrikkelijks. ‘Op mijn zesde jaar moest ik naar de lagere school. Ons dienstmeisje bracht me weg en zodra ik de school in zicht kreeg, bleef ik stokstijf staan. Ze moest me er letterlijk heen slepen. Mijn hakken schuurden over de grond. Ik droeg een gabardine regenjas, ik weet het nog goed, en een petje, maar dat viel af. Ik vond het helemaal niks. Ik wilde niet leren. Ik had ontzettend geluk dat ik bij juffrouw Korteling in de klas kwam. Juffrouw Korteling was de dochter van Bartus Korteling, een bekende Deventerse kunstenaar die schilderde naar de inzichten van de Haagse School. Van juffrouw Korteling mocht ik tekenen. Zij heeft mij door mijn schooltijd heen geholpen.’

Ook op de MULO bleef Jaap Nieuwenhuis zich tegen het leren verzetten. ‘Ik vond het onzin wat ik leren moest. Handelsrekenen bijvoorbeeld deed ik gewoon niet. Daar kreeg ik een nul voor. Alleen taal vond ik leuk, en geschiedenis. Het was echt een ramp. En toen dacht ik “Ik wil boer worden”. Ik was ontzettend gek op dieren, en op buiten wonen. We woonden in Deventer, maar we hadden een buitenhuisje in Gorssel waar we de zomers doorbrachten. Ik dacht “Ik wil buiten zijn en boer worden, dan kan ik de hele dag met koeien knuffelen.”‘

Vader Nieuwenhuis moet een wijs man geweest zijn. Hij zorgde ervoor dat zoon Jaap op een kleine boerderij, een terpje in de buurt van Lobith, in de leer kon. Het oude boerenechtpaar had een knechtje nodig. ‘Ik werd op het boerderijtje gedropt en al spoedig kon ik koeien melken. Ik vond het prachtig, heerlijk. Ze hadden een boomgaard, en kippen, varkens; geen paarden, die moesten we lenen van de buren. In de winter moest ik suikerbieten van klei ontdoen. Ik zat dan de hele dag in de vrieskou bieten af te krabben. Onder het werken zong ik. ’s Avonds at ik samen met die mensjes pap, en bladerde ik door de tijdschriften die er lagen, de Katholieke Illustratie van, zeg maar, 100 jaar geleden.’
Korte tijd daarna stuurde vader Nieuwenhuis zijn zoontje naar een grotere boer om zich verder te bekwamen in het vak. ‘Na een half jaar ontving mijn vader een brief van de goede man. ‘Het wordt niks met hem, want hij zit al zijn vrije tijd te tekenen, en hij luistert naar klassieke muziek en hij leest. Hij wordt nooit een boer.’

Jaap Nieuwenhuis werd naar huis gestuurd, en dat was het moment waarop de kunstacademie in beeld kwam. ‘Eerst ging ik nog een tijdje op tekenles hier in Deventer, bij meneer De Grip, een huisschilder die ook een tekenschool had. Hij zag eruit als een Franse kunstenaar, met een sikje en een snor, maar hij gaf heel goed les. Ik heb van hem heel veel geleerd. Een paar maanden ben ik bij hem geweest. En toen ben ik met mijn vader naar de academie in Arnhem gegaan, die toen nog ‘Kunstoefening’ heette. Op basis van mijn tekeningen mocht ik van de directeur gelijk komen. Tenslotte kwam ook mijn vooropleiding ter sprake. “Bij de Mulo is-ie weggegaan, en toen is-ie boer geweest,” was mijn vaders droge antwoord.’ Ondanks dat werd Jaap Nieuwenhuis, toen zo’n 16 jaar oud, aangenomen, maar hij zou heel hard moeten werken om zijn achterstand in te halen. En dat deed hij, want opeens had ook het leren zin. ‘Arnhem was een paradijs voor mij. Allemaal broertjes en zusjes ineens. Het was een ongekend gevoel. Dat je op een opleiding komt waar je iedereen kunt omarmen, allemaal hetzelfde denkt, voelt, zo ongeveer dan, dat is geweldig. Dat vergeet ik nooit. Hoe heerlijk dat was! Van die boerentijd heb ik overigens nooit spijt gehad. Ik ben blij dat ik meegemaakt heb hoe boer-zijn in die tijd was. Het was middeleeuws.’ En dan voegt hij er met die inmiddels bekende lach vol zachte humor aan toe: ‘En ik kan melken!’

Rijksacademie in Amsterdam. Ontmoeting met Paula Thies

In 1943 vatte Jaap Nieuwenhuis samen met een goede vriend van de Kunstacademie in Arnhem, Gerrit Veenhuis, het plan op om naar de Rijksacademie in Amsterdam te gaan. De oorlog dwong de twee kunstvrienden echter tot 1945 te wachten. Op de dertig plaatsen kwamen dat jaar maar liefst driehonderd kandidaten af. Zowel Jaap als Gerrit werden toegelaten. Het was op de Rijksacademie dat Jaap Nieuwenhuis zijn toekomstige vrouw, Paula Thies, ontmoette. ‘Ik was zes jaar jonger en bewonderde haar meteen heel erg, ook qua werk.’ De twee gingen in 1947 samenwonen. De tijd in het vier verdiepinkjes tellende huisje aan het Oudekerksplein is onvergetelijk. In ‘Een huis op het Oudekerksplein. Amsterdamse verhalen uit de periode 1947 – 1952′ beschrijft Nieuwenhuis – die ook nog eens een getalenteerd schrijver blijkt te zijn – de grappige, soms bitterzoete belevenissen in en om de Amsterdamse rosse buurt direct na de tweede wereldoorlog. Met veel gevoel voor humor vertelt hij hoe hij, enigszins in verlegenheid gebracht door de situatie, achter een vrouw van lichte zeden de trap naar haar slaapkamer opging omdat Poes zich onder haar bed verstopt had. De illustratie waarop Jaap op z’n knieën, onder wakend oog van de ‘rosse dame’, voor het bed ligt, Poes tevergeefs smekend om er onderuit te komen, spreekt boekdelen. Ook de vertellingen over de tijd waarin Jaap Nieuwenhuis, en later ook Paula, in het koor van Carré zongen om de eindjes aan elkaar te knopen (pas na het gesprek met de kunstenaar ontdek ik dat Jaap Nieuwenhuis ook zang aan het Conservatorium heeft gestudeerd) zijn uiterst vermakelijk, en geven een goed beeld van de naoorlogse tijd. De dolle rit met een gehuurde kar om op het Waterlooplein gekochte stoeltjes thuis te brengen, is een praktijkvoorbeeld van Nieuwenhuis’ verzamelpassie die vooral ‘leuke, prettige dingen’ betreft.

Poes. Uit: Een huis op het Oudekerksplein, Amsterdamse verhalen uit de periode 1947-1952

‘Ik schaam me een beetje voor de slechte schrijfstijl,’ zegt Jaap Nieuwenhuis bescheiden. ‘Een paar keer heb ik me op het schrijverspad begeven. Ik heb ook twee kinderboeken geschreven, en geïllustreerd. Het was een uitstapje. Je hebt toch meer aanleg voor het één dan voor het ander.’ Ik zwijg, maar denk er het mijne van. Het is een enig boek!

Illustreren en kostuums ontwerpen

Het is in de tijd van het huis aan het Oudekerksplein dat Jaap Nieuwenhuis begint te illustreren. ‘Toen ik eenmaal met Paula samenwoonde, voelde ik me geroepen de kost te gaan verdienen. Ik koos ervoor om te gaan illustreren. Overigens is illustreren niet iets dat je zomaar kunt leren, dat moet je in je hebben. En dat had ik wel. Als kind al tekende ik plaatjes bij verhalen. Ik pakte dat weer op en begon weer, net zoals vroeger, Russische verhalen te illustreren, en die liet ik zien. Al gauw kreeg ik opdrachten in die richting. Zo heb ik altijd opdrachten gehad die ik ook echt leuk vond.’

‘Uiteindelijk ben ik ook gaan illustreren voor de AVRO-bode. Dat was heel zwaar werk. Ik zat dan in het kantoor bij de drukkerij en moest ter plekke de illustraties bij het programma maken. De drukker bracht mij het vel met de kolommen met programma’s en ik moest de witte gaten opvullen met een tekening. Ik moest dan kijken wat werd aangekondigd, een hoorspel, een opera. Het kwam goed uit dat ik veel van muziek, van opera’s wist, want ik moest het allemaal uit mijn hoofd doen. Na een half uur, drie kwartier, kwam de drukker terug met een ongeduldig “Is het klaar?” Ik was dan nog bezig met mijn pen en zwarte inkt. En dan stond-ie daar maar, zenuwachtig, en joeg-ie mij op. Vreselijk! Maar als ik dan klaar was, had ik wel goed verdiend, want het betaalde per tekening.’

Die Puppenfee – Spaanse Dansers (poppen), Pantomime in 1 acte, muziek: Josef Bayer,
libretto: Josef Haszreiter en Franz Gaul. Uit: Kostuumontwerpen voor het theater, 2014.

Omdat de AVRO-bode vierhonderd-, vijfhonderdduizend leden telde, werden Nieuwenhuis’ illustraties van onder meer opera’s veel gezien. Zo kwam het dat hij op een dag werd opgebeld door Frans Boerlage, regisseur van de Nederlandse Opera, met de vraag of hij de decors en kostuums wilde maken voor een jubileum opera met het Brabants orkest. ‘Ik had totaal geen idee van kostuumontwerpen, van decorontwerpen, maar heb gewoon brutaalweg “Ja, dat kan ik wel” gezegd. En toen heb ik een paar keer met hem samengewerkt, ook voor de Nederlandse Opera, voor het Nationaal Ballet in de Stadsschouwburg in Amsterdam. Het is heel leuk als je je eigen tekeningen over de bühne ziet gaan. Het waren over honderd kostuums. Stofjes mocht ik ook uitzoeken. Er komt heel veel bij kijken. Er is een speciale man die de laarzen maakt, en eentje die de hoeden maakt, eentje voor de jurken. Daar moest ik allemaal mee praten, uitleggen wat ik wilde. Rudi van Dantzig zag de ontwerpen en vroeg mij ook iets voor hem te doen. Daarna zijn Paula en ik verhuisd naar Broek in Waterland, en later naar Welsum. Toen raakte ik alle contacten in die wereld kwijt.’

Lesgeven aan de Academie in Groningen en Kampen

Zijn hele leven lang heeft Jaap Nieuwenhuis veel, heel veel getekend. ‘Ik bewonderde met name Alfred Kubin, de Oostenrijkse tekenaar, graficus en illustrator. Daar was ik in het begin ook wel door geïnspireerd. Kubin tekende heel mysterieus, krasserig. En dus ging ik ook veel krassen. Op een dag liet ik mijn werk aan juffrouw Guldener aan de Rijksacademie zien, en die zei “Dat is toch niks, al dat gekras, je moet heldere lijnen maken. Heldere lijnen.” Daar ben ik toen over gaan nadenken en uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat ze eigenlijk wel gelijk had. Toen ben ik heldere lijnen gaan maken, alhoewel dat veel moeilijker is. Je moet dan eerst de vorm kennen.’

In de jaren ’60 en ’70 gaf Jaap Nieuwenhuis les in modeltekenen aan de Minerva Academie in Groningen, en later ook aan de Christelijke Kunstacademie in Kampen. Tijdens die lessen tekende hij met zijn leerlingen mee. Zijn werk uit die tijd is verzameld in het boek ‘Modeltekenen’ dat in 2009 uitkwam. ‘Het was een vrijgevochten tijd. Iedereen deed waar hij zin in had. Studenten liepen weg en kwamen niet meer terug. Ik hield maar een heel kleine kern van mensen die echt wilden tekenen over. Dat vond ik eigenlijk heel prettig. Je begon met dertig man. Na verloop van een paar weken werd het steeds minder, en dan hield ik er zo’n drie over. Die waren heel enthousiast.’

Modeltekening, 21 x 28 cm, graphite. De modeltekeningen zijn in het bezit van de kunstenaar, het Rijksprentenkabinet van het Rijksmuseum in Amsterdam en particuliere verzamelaars.

‘Er was een docent, Guido Lippens, een Brabantse kunstenaar, die tegen zijn leerlingen zei: ‘Je moet niet gaan tekenen bij Jaap Nieuwenhuis want die haalt jullie eigenheid weg. Hij dwingt jullie om naar de natuur, naar de waarneming te tekenen. Tekenen moet uit jezelf komen. Je moet niet naar hem luisteren.’ Ik heb nooit iets tegen hem gezegd, maar ik zei wel tegen de jongens: ‘Als je eigenheid zo gauw weggaat, is het niet veel waard.’

‘De academie betaalde vrij goed, en toen ik wat geld bij elkaar had, ging ik met de VUT, als u weet wat dat is,’ voegt hij er met een wat schalkse lach aan toe. ‘Toen ben ik eindelijk gaan doen wat ik altijd wilde: vrij schilderen. Interieuraquarellen en ook wel portretten. Als schilder ben ik dus vrij laat begonnen.’

Vrouwen in de kunst

Er valt een aangename stilte. Betsy schenkt nog een kopje thee in. Het lijkt me een goed moment om te vragen hoe zij elkaar hebben leren kennen. ‘Dat was in de tijd dat Jaap en Paula in Broek in Waterland woonden,’ vertelt ze. Betsy gaf toen les in de school tegenover hun huis. Paula merkte Betsy op omdat ze anders was, er leuk uitzag – ze maakte haar eigen kleren -, en sprak haar aan. Zo kwam Paula te weten dat Betsy de kunstnijverheidsschool had gedaan, en daarna de Rietveldacademie.
Paula Thies had toen al een gevestigde naam in de kunstwereld. Ze schilderde naar model, portretten en landschappen, volgde schilderlessen bij Oskar Kokoschka in Salzburg, en had al solotentoonstellingen gehad. Haar sterke, kleurrijke schilderijen – aquarellen en later ook in olieverf – trokken steeds meer de aandacht. In de loop der tijd zou de belangstelling voor haar werk alleen maar toenemen. Later in haar leven zou Paula jaarlijks exposeren.

Paula Thies, Vrouw met katten, olieverf op doek, 1994, 75 x 90 cm

Tussen Paula en Betsy ontstond een hechte vriendschap. Betsy liet Paula regelmatig haar schilderwerk zien. ‘Daar moest ik heel veel moed voor verzamelen’, vertelt ze. ‘Jaap zette dan koffie en ging boven werken. Paula en ik bespraken mijn werk.’ De vriendschap tussen Betsy en Paula was voor het leven. Betsy bleef tot aan Paula’s dood in 2000 met haar schrijven.

‘Mijn eerste man, Leo Hofman (Jaap Nieuwenhuis kende hem ook, van de Rijksacademie) was tegen die tijd al overleden. Ik was al jaren alleen en reisde heen en weer tussen Nederland en Frankrijk waar mijn man en ik een huis hadden. Op een keer nodigde ik Jaap uit om eens naar Frankrijk te komen, en dat deed hij.’
Jaap Nieuwenhuis en Betsy van der Meer trouwden in 2006.

Betsy van der Meer, La Defense, aquarel (2), 1973

Betsy wijst me op een werk van haar dat aan de muur richting de keuken hangt. De stijl is geheel anders dan die van Jaap Nieuwenhuis, en ook van die van Paula Thies. Betsy’s werk is heel grafisch, geïnspireerd door de architectuur van gebouwen als ‘La Defense’ in Parijs en de ‘Bijlmer’ in Amsterdam. Ik vraag Jaap Nieuwenhuis hoe het is om een kunstenaar als vrouw te hebben. Niet één maar tweemaal trouwde hij een schilder.
‘Lastig’, zegt Betsy meteen. ‘Ik zit er bovenop, maar houd me in.’
‘Ik ben erg afhankelijk van Betsy’s oordeel,’ zegt Jaap Nieuwenhuis. ‘Met Paula was het soms best moeilijk want ze was een bijzondere persoonlijkheid. Maar ik kan me niet voorstellen dat je met iemand leeft die niet kunstenaar is. Nee, ik zou niet met iemand kunnen leven die er geen kijk op heeft. Dan zou ik me heel eenzaam voelen. Je moet iemand naast je hebben die dezelfde ogen, dezelfde belangstelling heeft, die de kunstgeschiedenis en literatuur kent. Een boer moet met een boerin trouwen, een kunstenaar moet met een kunstenaar trouwen’, lacht hij. ‘Dat vind ik overigens hoor, maar ik weet niet of het echt zo is,’ verzacht hij zijn standpunt.
Als ik hem vraag of vrouwen een andere benadering tot de kunst hebben dan mannen antwoordt hij zonder aarzelen: ‘Nee, helemaal niet. Absoluut niet. Voor mij maakt het geen enkel verschil of iemand mannelijk of vrouwelijk is.’
Betsy denkt er iets anders over. ‘Nou, dat zou ik niet zo gauw zeggen.’
‘Het is mijn mening maar hoor’, haast hij zich te zeggen. ‘Ik het nooit enig verschil gevoeld. Ik heb toch ook altijd gekookt!’

De hedendaagse kunst

Over de hedendaagse kunst is Jaap Nieuwenhuis behoorlijk pessimistisch. Voor zover hij daarover kan oordelen tenminste. ‘Ik zit hier helemaal afgesloten en kan slechts afgaan op de halfjaarlijkse tentoonstelling van plaatselijke kunstenaars, maar die weerspiegelen aardig wat er aan de hand is. De hedendaagse kunstenaars doen krampachtige pogingen om vooral niet zichzelf te zijn maar om iets te doen wat de trend is. Als je daaraan begint, ben je verloren. Al die pogingen, en installaties.’ Meewarig schudt hij zijn hoofd. ‘Ik dacht dat dat allang voorbij was. Dan zie je in een prachtige kerk opeens zo’n installatie. Het is bijna godlasterend om die dingen daar neer te zetten.’

‘Waarom makkelijk doen als het moeilijk kan’

Opeens schiet me mijn eerste ontmoeting met Jaap Nieuwenhuis te binnen. Dat was in de Bergkerk in Deventer. Hij liet zich toen in een gesprek zijn lijfspreuk ontvallen: “Waarom makkelijk doen als het moeilijk kan”. Ik maak van de gelegenheid gebruik om daar meer over te weten te komen.
‘Ik heb ontdekt dat er een groot gevaar schuilt in een makkelijke weg kiezen. In je werk, in je leven, in kleine dingen. Ik denk dat je dus niet een sinaasappel moet uitpersen met een machine maar met de hand, omdat het beweging geeft. Alles is tegenwoordig gericht op makkelijk, de hele cultuur, de samenleving is gericht op makkelijk. In plaats van lopen doen we alles met de auto. Vroeger liepen we veel. Goethe bijvoorbeeld liep van Darmstadt naar Weimar, en beschrijft wat hij allemaal ziet. De natuur was toen nog zo mooi. Toentertijd liep iedereen. Natuurlijk kun je niets terugdraaien. Maar je wint en je verliest. Je maakt een stap vooruit, maar tegelijkertijd doe je een stap achteruit.’

De hal van het huis in Deventer met 18e eeuwse tuinbank, een ander meubelstuk dat op Jaap Nieuwenhuis’ aquarellen terugkomt. Erboven ‘Theeservies’

Jaap Nieuwenhuis loopt op mijn volgende vraag vooruit. Hij vertoeft nu bijna een eeuw op deze planeet. Ik ben benieuwd hoe hij staat tegenover alle nieuwe ontwikkelingen, internet, kunstmatige intelligentie…
‘Ik vind het tamelijk ziekelijk. Ik heb er geen enkele bewondering voor. Ofwel, technologische vooruitgang op zich is misschien bewonderenswaardig maar ik vind het niet de goede kant uitgaan. We worden allemaal veel ouder. Maar kun je dat vooruitgang noemen? Het ligt er ook aan hoe je ouder wordt. En de teloorgang van de natuur vind ik verschrikkelijk. Ik heb er slapeloze nachten van. Het feit dat de insecten met tachtig procent zijn geminderd… De hele aanslag op de natuur, die vind ik verschrikkelijk. Beangstigend. Ik zou gelukkiger kunnen zijn, maar dat kan niet omdat ik weet dat er om me heen afbraak is. Tegelijkertijd hebben de mensen alles, niemand heeft honger meer, iedereen heeft een fiets, een auto, dat is natuurlijk fantastisch. Maar het heeft een heel erge tegenkant.’
Ik vraag hem of de mensen van nu volgens hem gelukkiger zijn. Hij begrijpt mijn punt direct. ‘Alles hebben geeft geen geluk…, natuurlijk niet. Niets hebben geeft ook geen geluk.’

‘Bent ù gelukkig?’
Jaap Nieuwenhuis lacht, Betsy lacht mee. Het is een moeilijke vraag. Ik ben het met ze eens maar het komt niet veel voor dat je ‘m kunt stellen aan iemand met een levenservaring als Jaap Nieuwenhuis.
‘Ik zou gelukkig zijn als ik niet zoveel zorgen had over de wereld. En dan zou je zeggen “Waarom zou je je zorgen maken?” Ik ben bijna aan het eind. Soms ben ik blij dat ik bijna aan het eind ben. Het lijkt me heel moeilijk als je nu aan het begin staat, maar goed, dan kijk je er natuurlijk heel anders tegenaan dan ik. Ik heb een heel andere achtergrond, een lang verleden. Ik ben van zo ongeveer de Middeleeuwen naar de toekomst gegaan. Niet dat ik terug zou willen, hoor…’

‘Maar’, zegt hij naar alle eerlijkheid als ik vraag of hij nostalgisch is, ‘ik leef me wel uit in de literatuur. Ik lees heel veel, en dan meestal boeken die niet in het heden spelen. Ik houd vooral van negentiende-eeuwse boeken. Ik ploeg de hele wereldliteratuur door. Ik moet het inhalen. Ik heb het altijd zo druk gehad met andere dingen, met werken. Vroeger heb ik de hele Russische bibliotheek gelezen, maar daarna hield ik niet zoveel tijd over. De wereldliteratuur is zo ontzettend makkelijk en mooi. Als je Stendhal leest, moet je wel verliefd worden op zijn boeken. Ik heb ze wel tien keer gelezen. Goethe is ook niet moeilijk. En Tolstoj ook niet. Alleen maar prachtig. Thomas Mann, ook schitterend. In deze literatuur wordt het leven zo beschreven dat je er rijker van wordt.’
En dan krijgt de kunstenaar, de schilder, in hem weer de overhand: ‘Maar ik mag overdag niet lezen van mezelf want dan moet ik werken. “Pas na acht uur ’s avonds mag je lezen”, zeg ik altijd tegen mezelf. “Eerst werken”.’

Met dank aan Betty van Bree die dit interview mogelijk maakte.
Meer werk van Jaap Nieuwenhuis is te zien op de website www.jaapnieuwenhuis.nl

Door: Charlotte Mesman

MAANDHOROSCOOP
Horoscoop
Horoscoop
Horoscoop
Horoscoop
Horoscoop.
Horoscoop
Horoscoop
Horoscoop
Horoscoop
Horoscoop
Horoscoop
Horoscoop
 

Vind je dit artikel leuk? Laten we dan contact houden. Voeg Trendystyle toe aan je favorieten. Druk op CRTL en D op je toetsenbord. We hopen je snel weer terug te zien! :-)

 
GESPONSORDE LINKS
MEER OP TRENDYSTYLE

Send this to a friend